Kern

  1. Opstelling materiaal
  2. Een koprol voorover maken op een schuine dikke mat
    Hierbij starten op de mat en eventueel een lintje tussen de kin en de borst klemmen.
  3. Een koprol voorover maken op een dikke mat
    Hierbij starten met de voeten óp de mat of vóór de mat. Eventueel afzetten vanaf het lage deel van een springplank.
  4. Een koprol voorover maken op een schuine dikke mat, met aanloop
    Hierbij de handen op de mat plaatsen.
  5. De slam in tweetallen 
    Op de knieën zitten. Een bal met gestrekte armen hoog achter het hoofd vasthouden, de rug is hol. De bal vervolgens vlak voor de knieën op de grond laten stuiten door het bovenlichaam achterover te buigen en de armen gestrekt naar voren te brengen, tot voorbij de heupen. Een ander moet de stuitende bal weer opvangen.
  6. Een koprol voorover maken vanaf een kastkop en mikken 
    Liggen op de buik of zitten op de hurken op de kastkop en een koprol maken vanaf de kastkop naar een matje. Tot zit of hurkzit komen. Daarna direct vanuit de rol een pittenzakje in een korf mikken.
  7. Duikelen onder de trapezoïde
    Gaan hangen met de duimen om de stang van de trapezoïde die op de zij ligt. Achterover duikelen ónder trapezoïde door.
  8. Rennen en mikken
    Er zijn in dit vak twee teams. De leerlingen uit het ren team, rennen steeds om de beurt om het vierkant. Ze geven een estafette stok aan elkaar door. Elke rondje wat ze rennen, is een punt. Het mik team gaat ondertussen van achter de bank, met pittenzakjes, pionnen van de kast en bank af gooien. Als alle pionnen om zijn, moeten ze ‘stop!’ roepen. Het ren team moet dan stoppen met rennen. Erna wisselen van ren- en mik team. Let op: Het mik team moet steeds eerst alle pittenzakjes mikken en mag erna pas de zakjes ophalen om verder te mikken.